HomeOver NDM1.3 Kanttekeningen

1.3 Kanttekeningen

Wat vind ik in de kanttekeningen?

Bij het lezen van deze website moet u rekening houden met een aantal kanttekeningen die van belang zijn voor het interpreteren van de cijfers in de Nationale Drug Monitor. De kanttekeningen die op deze pagina expliciet genoemd worden hebben betrekking op de gehanteerde leeftijdsgroepen, de rapportagejaren, de indeling van de NDM, hoe omgegaan wordt met statistische significantie en de impact van de coronapandemie. Naast deze algemene kanttekeningen wordt in de bijlagen (bijlagen A,B,C,D,E&F) ook aandacht besteedt aan de kanttekeningen die horen bij specifieke bronnen in de NDM.

Leeftijdsgroepen middelengebruik

Conform de kerncijfers voor het beleid van de Staat van Volksgezondheid en Zorg (Staat van V en Z; zie: www.staatvenz.nl), worden gegevens over het middelengebruik in de algemene bevolking standaard weergegeven voor de leeftijdsgroep 18 jaar en ouder. Voor de vergelijkingen van het drugsgebruik in de EU-lidstaten wordt de standaard van het EMCDDA gebruikt, namelijk 15-64 jaar en 15-34 jaar. Voor jongeren worden kerncijfers voor scholieren van het voortgezet onderwijs in de leeftijdsgroep van 12-16 jaar gepresenteerd. Als aanvulling hierop zijn gegevens opgenomen van het middelengebruik onder 16-18-jarige studenten van het MBO en HBO, afkomstig van landelijke peilingen, die in 2015, 2017 en 2019 zijn uitgevoerd ​[1]​.

Trendbreuken

In de afgelopen jaren hebben zich voor een aantal registratie- en monitoringsystemen wijzigingen voorgedaan in de methoden van gegevensverzameling en/of -verwerking. Hoewel niet elke methodewijziging een trendbreuk teweeg hoeft te brengen, is voor een aantal bronnen uit nadere analyses gebleken dat cijfers voor en na de methodeverandering niet vergelijkbaar zijn, en het derhalve niet mogelijk is om uitspraken over trends te doen, of slechts over een beperkt aantal jaren. Bij sommige informatiesystemen spelen andere uitdagingen waardoor gegevens tijdelijk niet beschikbaar zijn, zoals de registratie van de hulpvraag in de verslavingszorg (laatste gegevens zijn van 2015). In de bijlage bronbestanden wordt voor een aantal kernbronnen een toelichting gegeven op deze (methodologische) kwesties.

In het algemeen geldt dat trendgegevens kritisch moeten worden beschouwd en geïnterpreteerd. Niettemin beschikt Nederland over een rijk landschap aan monitors, die tezamen ondanks (tijdelijke) lacunes, een goed beeld kunnen schetsen van de stand van het middelengebruik en hier aan gerelateerde problematiek.

Middelgebonden indeling

De hoofdstukken 3 tot en met 15 van de NDM zijn ingedeeld per middel. Deze indeling sluit aan bij de gegevensbehoefte en laat zien dat de risico’s van het gebruik van alcohol, drugs, tabak en rookwaren en andere middelen voor de (volks)gezondheid en maatschappij verschillen. Een methodiek waarbij deze risico’s direct zijn vergeleken is toegepast in een recente Europese studie ​[2]​. Een panel van experts beoordeelde de acute en chronische lichamelijke schade (toxiciteit), afhankelijkheid en sociale schade voor 18 illegale drugs, alcohol en tabak, op basis van hun wetenschappelijke expertise en de literatuur. Heroïne en crack bleken samen met alcohol relatief het meest schadelijk te zijn ​[2]​. Deze middelen, met aanvullend methamfetamine, werden ook als meest schadelijk beoordeeld in een recente Duitse studie ​[3]​.

De hoofdstukindeling per middel gaat echter voorbij aan het feit dat mensen vaak meer dan één middel – al dan niet gelijktijdig – gebruiken en dat gezondheidsrisico’s ook sterk samenhangen met het al dan niet gecombineerd gebruik van middelen ​[4]​. Ter illustratie wordt in onderstaande figuur de overlap in het gebruik van cocaïne, ecstasy en amfetamine nader toegelicht op basis van gegevens uit de Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor 2020.

In 2020 werd gevonden dat 95,7% van de volwassen Nederlanders in het afgelopen jaar géén van de middelen cocaïne, amfetamine, en ecstasy had gebruikt. Daarentegen had 4,3% van de Nederlanders wel tenminste één van de middelen gebruikt. Onderstaande figuur geeft de mate van overlap weer van de volwassen Nederlanders die in het afgelopen jaar wél cocaïne en/of amfetamine en/of ecstasy hadden gebruikt.

Het grootste deel had alleen ecstasy gebruikt (43,5%). Een aanzienlijk kleiner deel (15,1%) had alleen cocaïne gebruikt of alleen amfetamine (7,4%). Sommige gebruikers hadden twee van de drie middelen genomen. Ongeveer één op de tien (10,0%) had ecstasy en cocaïne (maar geen amfetamine) gebruikt, 10,7% had ecstasy en amfetamine (maar geen cocaïne) gebruikt en 4,0% amfetamine en cocaïne (maar geen ecstasy). Als laatste had 9,4% alle drie de middelen gebruikt in het afgelopen jaar.

Figuur    Overlap in laatste-jaar-gebruik (%) van cocaïne, ecstasy en amfetamine onder mensen van 18 jaar en ouder die tenminste één van deze middelen in het afgelopen jaar gebruikten. Peiljaar 2020I

I. Overlap in het percentage laatste-jaar-gebruik van cocaïne, ecstasy en amfetamine onder laatste-jaar-gebruikers van één of meer van deze middelen. Bron: Gezondheidsenquête/Leefstijlmonitor CBS i.s.m. RIVM en Trimbos-instituut, 2020.

Statistische significantie

In de NDM worden trends in middelengebruik en verschillen tussen groepen gebruikers beschreven. Bij gegevens die afkomstig zijn van een steekproef uit de bevolking spreken we pas van een toename of afname in gebruik (of verschillen tussen groepen), indien deze statistisch significant zijn. Dat betekent dat dit verschil (waarschijnlijk) niet het gevolg is van steekproeffluctuaties. Statistische significantie zegt echter niet alles. Bij hele grote steekproeven kunnen minieme verschillen significant zijn, maar praktisch gezien geen betekenis hebben. Significantie is dus niet hetzelfde als relevantie. Omgekeerd kunnen er duidelijke verschillen zijn in, bijvoorbeeld, percentages gebruikers in opeenvolgende peilingen, die volgens statistische toetsen niet significant zijn. Dat kan het geval zijn als steekproeven relatief klein zijn en de variatie binnen groepen groot is. In die gevallen kan het voorkomen dat bij een grotere steekproef (bijvoorbeeld meer respondenten) een resultaat wel significant zou zijn. Anderzijds kan het ook zo zijn dat een verschil dat in een kleine steekproef wordt gevonden, door ‘toeval’ of steekproeffluctuatie werd veroorzaakt en dat een dergelijk verschil in een grotere, meer representatieve steekproef niet meer wordt (terug)gevonden. In de NDM letten wij op statistische significantie, maar belangrijker is echter de grootte en de relevantie van het verschil.

Impact van de coronacrisis

Vanaf maart 2020 werden in Nederland (en elders) maatregelen getroffen om de gevolgen van de verspreiding van de COVID-19 tegen te gaan. De internationale handel, het vliegverkeer en een groot deel van het openbare leven, waaronder het uitgaansleven, hebben een deel van 2020 het jaar vrijwel stil gelegen en ook nadien tijdens de verschillende golven van de epidemie zijn tal van beperkingen opgelegd ​[5]​, zij het meer gericht. Deze beperkingen lijken vooralsnog een relatief beperkt effect te hebben gehad op de drugsmarkten (productie, handel en beschikbaarheid). Wél laten diverse ad-hoc onderzoeken zien dat het middelengebruik, al dan niet tijdelijk, is beïnvloed. Voor de een betekent dat meer en vaker gebruiken, en voor de ander juist minder (vaak) gebruiken. De impact verschilt per persoon en tussen middelen. Redenen voor meer of minder gebruik lopen uiteen van verveling tot stress en stemmingsproblemen, samenhangend met sociale isolatie en mogelijk financiële problemen ​[6]​.  Aan het begin van de middelenhoofdstukken is de beschikbare kennis hierover samengevat. Ook over de drugsgerelateerde criminaliteit zijn aanvullende gegevens verzameld en geanalyseerd om een inschatting te maken van de impact van de crisis op verschillende indicatoren op het terrein van politie en justitie (zie hoofdstuk 16 en 17).

Aanvullende informatie

Bronnen

  1. 1.
    Van Dorsselaer S, De Beurs D, Monshouwer K. Middelengebruik onder studenten van 16-18 jaar op het MBO en HBO 2019. Utrecht: Trimbos-instituut; 2020.
  2. 2.
    Van Amsterdam J, Nutt D, Phillips L, Van den Brink W. European rating of drug harms. Vol. 29, J Psychopharmacol. 2015. p. 655–660.
  3. 3.
    Bonnet U, Specka M, Soyka M, Alberti T, Bender S, Grigoleit T, et al. Ranking the Harm of Psychoactive Drugs Including Prescription Analgesics to Users and Others–A Perspective of German Addiction Medicine Experts. Vol. 11, Frontiers in Psychiatry. 2020. p. 592199.
  4. 4.
    CBS. Jaarrapport Landelijke Jeugdmonitor 2019. Den Haag: CBS; 2019.
  5. 5.
    Rijjksoverheid. Coronavirus tijdlijn [Internet]. 2022. Available from: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-tijdlijn
  6. 6.
    Van Laar M, Oomen P, Van Miltenburg C, Vercoulen E, Freeman T, Hall W. Cannabis and COVID-19: reasons for concern. Frontiers. 2020.

Hoe te verwijzen

    Nationale Drug Monitor, editie 2022. . . Geraadpleegd op: . Trimbos-instituut, Utrecht & WODC, Den Haag.