HomeTabak12.6.2 Sterfte

12.6.2 Sterfte

Roken is in Nederland de belangrijkste oorzaak van voortijdige sterfte.

  • In 2018 overleden in Nederland volgens de gangbare schatting 19.275 mensen van twintig jaar en ouder aan de directe gevolgen van roken, exclusief de sterfte door meeroken (tabel 12.6.1). Dit betekent dat in Nederland 12,6% van alle sterfgevallen onder mensen van 20 jaar en ouder aan roken kan worden toegeschreven.
  • Volgens een iets andere rekenmethode is wereldwijd ongeveer 11,5% van alle sterfte het gevolg van roken ​[1]​. De Tobacco Atlas wordt opgesteld door de American Cancer Society en Vital Strategies. Volgens de schattingsmethode van de Tobacco Atlas overlijden in Nederland per jaar meer dan 29.900 mensen door ziekten die worden veroorzaakt door het roken ​[2]​.
  • Uit een Nederlandse cohortstudie bleek dat levenslange zware rokers een kans van 23% hebben om vóór hun 65e jaar te overlijden, tegenover 7% van de niet-rokers. De zware rokers verliezen naar schatting 13 levensjaren, matige rokers 9 en lichte rokers 5 levensjaren ​[3]​.
  • Dit komt overeen met buitenlands onderzoek. Zo blijkt uit Britse, Amerikaanse en Japanse grootschalige bevolkingsonderzoeken dat rokers gemiddeld ongeveer tien jaar eerder sterven dan niet-rokers. Het gaat hierbij om jarenlang, onafgebroken roken. Stoppen met roken zorgt voor een geleidelijk herstel in de levensverwachting ​[4–6]​.
  • Wereldwijd is naar schatting één op de honderd sterfgevallen het gevolg van meeroken. Jaarlijks sterven er in totaal naar schatting 600.000 niet-rokers aan de gevolgen van meeroken ​[7,8]​. De sterfte ontstaat vooral door hartziekten, luchtweginfecties, astma en longkanker.
  • Door een forse daling van het aantal rokers onder mannen in de periode 1960-1990 is het aantal nieuwe gevallen van longkanker onder mannen vanaf het midden van de jaren tachtig gedaald. Deze daling bij mannen heeft zich in de periode 1990-2017 voortgezet. Bij vrouwen stijgt het aantal nieuwe gevallen van longkanker al sinds 1960. Deze stijging heeft zich in de periode 1990-2014 voortgezet, hoewel deze stijging sinds 2008 is afgezwakt. Vrouwen zijn in tegenstelling tot mannen vanaf de jaren zestig meer gaan roken. Vanaf de jaren tachtig gingen vrouwen geleidelijk minder roken. In absolute getallen is het aantal vrouwen dat jaarlijks longkanker krijgt nog steeds kleiner dan het aantal mannen dat jaarlijks longkanker krijgt. De sterfte aan coronaire hartziekten door roken (vanwege afwijkingen in de kransslagaders) daalt bij mannen en vrouwen (figuur 12.6.1).
  • In een grootschalige Australische cohortstudie werd bevestigd dat rokers gemiddeld 10 jaar eerder stierven dan niet-rokers. Bij twee derde van de overleden rokers kon de doodsoorzaak aan roken worden toegeschreven ​[9]​.

Tabel 12.6.1         Sterftegevallen onder mannen en vrouwen van 20 jaar en ouder die toe te wijzen zijn aan roken, voor 15 ‘aan roken gerelateerde aandoeningen’. Peiljaar 2018

                             

Figuur 12.6.1       Sterfte door roken voor enkele aandoeningen onder mensen van 20 jaar en ouder, 2009-2018

                             

Aantal sterfgevallen door roken. = Trendbreuk in de methode tussen 2012 en 2013. Overige aandoeningen zijn onder meer mondholtekanker, strottenhoofdkanker, slokdarmkanker en hartfalen. Voor de gebruikte methode zie https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/roken/cijfers-context/oorzaken-en-gevolgen#methode–node-sterfte-door- roken. De cijfers voor 2018 zijn berekend door het RIVM op basis van de Doodsoorzakenstatistiek van het CBS en de PAR’s voor de verschillende ziektes. Bronnen: CBS, RIVM, 2020.

Aanvullende informatie

Bronnen

  1. 1.
    GBD 2015 Tobacco Collaborators. Smoking prevalence and attributable disease burden in 195 countries and territories, 1990-2015: a systematic analysis from the Global Burden of Disease Study 2015. Vol. 389, Lancet. 2017. p. 1885–1906.
  2. 2.
    Tobacco-Atlas. Netherlands [Internet]. 2020. Available from: https://files.tobaccoatlas.org/wp-content/uploads/pdf/netherlands-country-facts-en.pdf
  3. 3.
    Reep-van-den-Bergh CMM, Harteloh PPM, Croes EA. Doodsoorzaak nr. 1 bij jonge Nederlanders: de sigaret. Vol. 161:D1991, Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. 2017.
  4. 4.
    Doll R, Peto R, Boreham J, Sutherland I. Mortality in relation to smoking: 50 years’ observations on male British doctors. Vol. 328, BMJ. 2004.
  5. 5.
    Jha P, Peto R. Global effects of smoking, of quitting, and of taxing tobacco. Vol. 370, The New England Journal of Medicine. 2014. p. 60–68.
  6. 6.
    Sakata R, McGale P, Grant EJ, Ozasa K, Peto R, Darby SC. Impact of smoking on mortality and life expectancy in Japanese smokers: a prospective cohort study. Vol. 345, BMJ. 2012.
  7. 7.
    Oberg M, Jaakkola MS, Woodward A, Peruga A, Pruss-Ustun A. Worldwide burden of disease from exposure to second-hand smoke: a retrospective analysis of data from 192 countries. Vol. 377, The Lancet. 2011. p. 139–146.
  8. 8.
    WHO. Report on the global tobacco epidemic. Geneva: WHO; 2013.
  9. 9.
    Banks E, Joshy G, Weber MF, Liu B, Grenfell R, Egger S, et al. Tobacco smoking and all-cause mortality in a large Australian cohort study: findings from a mature epidemic with current low smoking prevalence. Vol. 13, BMC Medicine. 2015.

Hoe te verwijzen

    Nationale Drug Monitor, editie 2022. . . Geraadpleegd op: . Trimbos-instituut, Utrecht & WODC, Den Haag.

Vergroot lettertype