Home ❯ Ecstasy (MDMA) ❯ 6.6 Hulpvraag en incidenten

6.6 Hulpvraag en incidenten

6.6.1 Verslavingszorg

Hoeveel mensen worden behandeld in de verslavingszorg voor ecstasyproblematiek?

In het kort: Ecstasy komt als primaire problematiek weinig voor in de verslavingszorg. In 2025 ging het om 169 personen, dat is minder dan 1% van het totaal aantal mensen in behandeling in de verslavingszorg voor drugsproblematiek. Ecstasycliënten zijn vaak man (73%) en relatief jong; bijna de helft is onder de 25 jaar. Ecstasycliënten zijn vaker nieuwkomers in de verslavingszorg dan cliënten met andere middelenproblematiek. Ecstasy komt vaker voor als secundaire problematiek dan als primaire problematiek: in 2025 ging het om 436 cliënten. In de periode 2016-2025 nam het aantal cliënten met primaire en secundaire ecstasyproblematiek in de verslavingszorg toe. Wel nam het aandeel jongeren onder de 25 jaar af, terwijl het aandeel mannelijke cliënten licht toenam.

Relatief weinig mensen in de verslavingszorg voor ecstasyproblematiek

In 2025 werden volgens het LADIS 169 mensen behandeld in de verslavingszorg voor ecstasyproblematiek ​[1]​ ​​​. Dit komt neer op minder 1% van het totaal aantal mensen in behandeling in de verslavingszorg voor drugsproblematiek. Ecstasy (MDMA) is na cannabis de meest gebruikte drug. Gegeven het percentage gebruikers is het aantal mensen in behandeling voor ecstasyproblematiek relatief laag (Zie: Gebruik volwassenen). Het gaat hierbij alleen om mensen bij wie de ecstasyproblematiek staat geregistreerd als de enige of de belangrijkste reden voor de behandeling. We noemen dit ook wel ‘primaire’ ecstasycliënten.

Niet alle verslavingszorginstellingen leveren gegevens aan het LADIS, het genoemde aantal is dus mogelijk een onderschatting van het totaal aantal cliënten in de verslavingszorg voor ecstasyproblematiek. Volgens het LADIS leverden in 2024 ongeveer 85-90% van gespecialiseerde verslavingszorginstellingen data aan (zie: Meer informatie over de onderzoeken op deze pagina).

Bijna driekwart van de ecstasycliënten is man

In 2025 was het grootste deel van de cliënten in behandeling in de verslavingszorg voor ecstasyproblematiek man (73%). In de algemene bevolking gebruiken mannen ook vaker ecstasy dan vrouwen, hoewel het verschil minder groot is (zie: Gebruik: Volwassenen).

Bijna de helft van de ecstasycliënten is onder de 25 jaar

Ecstasycliënten zijn relatief jong. In 2025 was bijna de helft (45%) van de cliënten in behandeling voor primaire ecstasyproblematiek onder 25 jaar. De gemiddelde leeftijd van de ecstasycliënten was 28 jaar.

Bijna de helft van de ecstasycliënten is al eerder behandeld in de verslavingszorg

In 2025 was ongeveer de helft van de primaire ecstasycliënten (52%), voor het eerst in behandeling in de verslavingszorg. De andere helft (49%) werd al eens eerder behandeld in de verslavingszorg. Vergeleken met veel andere middelen zijn ecstasycliënten relatief vaak nieuwkomers in de verslavingszorg. Ter vergelijking, voor alle cliënten samengenomen betrof het in 2025 voor 29% een eerste behandeling in de verslavingszorg.

Bijna twee derde van de ecstasycliënten heeft ook andere middelenproblematiek

In 2025 had 72% van de primaire ecstasycliënten ook nog andere verslavingsproblematiek. We noemen dit ook wel secundaire problematiek. Onder primaire ecstasycliënten is alcohol de meest voorkomende secundaire problematiek (34% van alle primaire ecstasycliënten), gevolgd door overige middelen (21%), cannabis (6%) en cocaïne (4%).

Mogelijk hebben de ecstasycliënten in de verslavingszorg ook nog andere psychische problemen dan verslaving. Het LADIS verzamelt hier echter niet systematisch gegevens over.

Ecstasy komt vaker voor als secundaire dan als primaire problematiek

Ecstasy kan ook voorkomen als secundaire problematiek bij cliënten die voor andere verslavingsproblematiek in behandeling zijn. In totaal ging het in 2025 om 436 secundaire ecstasycliënten. Voor cliënten met ecstasy als secundaire problematiek was het meest voorkomende primaire middel alcohol (29%), daarna volgden cannabis (20%), overige middelen (20%) en cocaïne (15%).

Is het aantal mensen dat wordt behandeld in de verslavingszorg voor ecstasyproblematiek veranderd?

Aantal ecstasycliënten licht gestegen tussen 2016 en 2025, maar blijft relatief laag

Tussen 2016 en 2025 nam het aantal cliënten in behandeling voor primaire ecstasyproblematiek toe van 103 naar 169 cliënten, wat nog steeds relatief laag is gezien het aantal gebruikers (Zie: Gebruik volwassenen). Om het effect van toetredende instellingen uit te sluiten, is ook gekeken naar verslavingsinstellingen die gedurende de hele periode (2016-2025) gegevens aanleveren (de zogenoemde constante instellingen). In deze groep steeg het aantal ecstasycliënten ook licht gedurende deze periode, van 103 naar 130 cliënten.

Tussen 2016 en 2025 is de bevolking van Nederland gegroeid. Om hier rekening mee te houden is ook gekeken naar het aantal cliënten per 100.000 inwoners. Per 100.000 inwoners van 15 jaar en ouder steeg het aantal primaire ecstasycliënten licht tussen 2016 (0,7) en 2025 (1,1). Bij de constante instellingen bleef het ongeveer gelijk: 0,7 in 2016 en 0,8 in 2025.

Het aandeel ecstasycliënten binnen de verslavingszorg bleef stabiel onder de 1%. 

Het aantal secundaire ecstasycliënten bleef ongeveer gelijk tussen 2015 en 2024

Het aantal cliënten bij wie ecstasyproblematiek speelde als secundaire problematiek is in de periode 2015-2024 ongeveer gelijk gebleven en lag steeds ongeveer rond de 500. Gekeken naar alleen de constante instellingen is een vergelijkbaar patroon te zien.

Aantal secundaire ecstasycliënten gestegen tussen 2016 en 2025 

Het aantal cliënten bij wie ecstasyproblematiek speelde als secundaire problematiek is in de periode 2016-2025 toegenomen, van 324 naar 436 cliënten. Maar wanneer er alleen gekeken wordt naar het constante aantal instellingen, daalde het aantal cliënten met secundaire ecstasyproblematiek juist, van 324 in 2016 naar 255 in 2025.

Belangrijke kanttekening: Hoewel deze constante gegevens mogelijk een stabieler beeld geven, houden ze geen rekening met nieuwe instellingen die mogelijk een ander type cliënt aantrekken, of met cliënten die overstappen van bestaande naar nieuwe instellingen. Dit kan mede het gevolg zijn van beperkte capaciteit binnen de verslavingszorg ​[1,2]​. De wachtlijsten zijn de afgelopen jaren toegenomen.

Kortom, het is op basis van deze gegevens niet mogelijk om exact te duiden welke trend het daadwerkelijke zorggebruik weerspiegelt.

Aandeel jonge ecstasycliënten tussen 2016 en 2025 gedaald

Tussen 2016 en 2025 is het aandeel jonge cliënten met primaire ecstasyproblematiek afgenomen. In 2016 was 55% van de cliënten in behandeling voor ecstasyproblematiek onder de 25 (57 cliënten). In 2025 was dit percentage afgenomen naar 45% (76 cliënten). Ook nam de gemiddelde leeftijd licht toe van 27 jaar naar 28 jaar.

Aandeel mannen met ecstasyproblematiek licht toegenomen tussen 2016 en 2025

Het aandeel mannen onder cliënten met primaire ecstasyproblematiek nam licht toe tussen 2016 en 2025, van 67% naar 73%.  

Hoe behandelt de verslavingszorg mensen met ecstasyproblematiek?

De verslavingszorg is onderdeel van de gezondheidszorg. De verslavingszorg helpt mensen die een stoornis hebben in drugs-, alcohol-, of medicatiegebruik, of een gokstoornis of een andere gedragsverslaving. De behandeling van stoornissen in het gebruik van ecstasy is gebaseerd op de ‘Multidisciplinaire richtlijn Stoornissen in het gebruik van cannabis, cocaïne, amfetamine, ecstasy, GHB en benzodiazepines’ ​​​[3]​.

Vanuit de richtlijn komt naar voren dat er wegens gebrek aan wetenschappelijke, professionele en ervaringskennis geen aanbevelingen gedaan kunnen worden voor een psychologische of medicinale behandeling van (frequente) ecstasygebruikers of van patiënten met een stoornis in het gebruik van ecstasy.

Het LADIS

De gegevens over het aantal mensen in behandeling in de verslavingszorg voor medicatieproblematiek zijn afkomstig van het Landelijk Alcohol en Drugs Informatiesysteem (LADIS). Verslavingszorginstellingen leveren gepseudonimiseerde gegevens over hun cliënten aan het LADIS. Tussen 2015 en 2022 konden er geen nieuwe gegevens worden verzameld in verband met een aanscherping van de privacywet. Per 1 juli 2022 is de aanvullende wettelijke grondslag geregeld voor het aanleveren van deze gegevens. Hierna kon de gegevensverzameling van het LADIS weer gestart worden. Vanaf 2023 zijn er weer verschillende rapportages van het LADIS verschenen ​​[1]​. In 2025 waren er 34 deelnemende verslavingsinstellingen die data leverden aan LADIS, waarvan 14 instellingen dit gedurende de afgelopen tien jaar consequent hebben gedaan. Ten opzichte van 2024 leverden drie extra instellingen gegevens aan het LADIS.

Gegevens over het aantal cliënten in behandeling kunnen informatie geven over (trends in) de hulpvraag en kunnen een indirecte indicator zijn voor trends in problematisch gebruik. Echter zoekt maar een deel van de probleemgebruikers hulp bij de verslavingszorg. Onderzoek laat zien dat mensen die professionele hulp zoeken vaak ernstigere problemen hebben dan mensen die dit (nog) niet doen. Ook hebben ze vaker last van andere bijkomende psychische problemen ​[4,5]​.

Per 2026 heeft LADIS de methode voor het tellen van unieke cliënten aangescherpt. Hierdoor worden alleen cliënten meegeteld die in het betreffende rapportagejaar contact hebben gehad met de zorg. Deze methodologische herziening is met terugwerkende kracht toegepast, ook in de cijfers van de NDM, zodat trends vergelijkbaar blijven. Hierdoor wijken de cijfers een beetje af van eerdere rapportages en vallen ze meestal iets lager uit.

Beperkingen van het LADIS

Er zijn een aantal factoren die van invloed kunnen zijn op het aantal geregistreerde cliënten in de verslavingszorg. (Nog) niet alle verslavingszorginstellingen leveren gegevens aan het LADIS. De afgelopen jaren zijn er wel steeds meer instellingen bijgekomen. Omdat dit de trends kan beïnvloeden rapporteert het LADIS zowel de trends van alle deelnemende instellingen als uitsluitend van de instellingen die gedurende de gehele periode tussen 2016 en 2025 gegevens hebben aangeleverd. In 2025 werden 14 instellingen aangemerkt als constant leverende instellingen, een minder dan in 2024. Volgens een ruwe schatting van LADIS uit 2024 levert ongeveer 85-90% van de gespecialiseerde verslavingszorginstellingen gegevens aan. Niet-aangesloten instellingen zijn doorgaans kleiner en bereiken mogelijk een andere doelgroep dan de instellingen die wel gegevens aanleveren. Bij sommige van de deelnemende instellingen is er sprake van onderregistratie. Ook leveren niet alle instellingen de gegevens over het type middel even specifiek aan. Zo gebruiken sommige instellingen nog verzamelcategorieën, zoals “opiaten” of “overige middelen”. Gegevens over specifieke middelen kunnen dus ‘verborgen’ zijn in deze verzamelcategorieën. Daarnaast kunnen mensen ook buiten de verslavingszorg hulp krijgen, bijvoorbeeld bij de reguliere GGZ, in de huisartsenpraktijk, bij vrijgevestigde psychologen of via anonieme eHealth. Tot slot lijkt er sprake van slechts een beperkte capaciteit in de verslavingszorg, zo is er in de afspraken met verzekeraars sprake van een behandelplafond. Wanneer het behandelplafond voortijdig wordt bereikt, kan de behandelcapaciteit onder druk komen te staan. Samen met de personeelstekorten in de verslavingszorg kan dit ertoe leiden dat het aantal behandelde cliënten mogelijk stabiel blijft, terwijl de behoefte aan zorg groter wordt.

Er staan ook nog mensen met een hulpvraag op het gebied van middelenproblematiek op een wachtlijst voor hulp in de verslavingszorg. Hoeveel mensen dit precies zijn is niet bekend. Volgens het GGZ-wachttijdendashboard bedraagt de gemiddelde landelijke totale wachttijd voor de diagnosegroep ‘Middelgerelateerde en verslavingsstoornissen’ (16 MID) 8 weken. De wachttijden verschillen echter per zorgkantoorregio ​[6]​​.

Aanvullende informatie

Bronnen

  1. 1.
    Wisselink DJ, Van der Slink JB, Regtop VR. Kerncijfers Verslavingszorg 2016 – 2025 [Internet]. Houten: Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS) Stichting IVZ; 2025 p. 1–128. Available from: https://www.ladis.eu/nl/publicaties/kerncijfers
  2. 2.
    Schellekens AFA. Aandacht voor verslaving: Jaarverslag 2023. Den Haag: Nationaal Rapporteur Verslavingen, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; 2024.
  3. 3.
    Hendriks V, Blanken P, Croes E, Schippers G, Schellekens A, Stollenga M, et al. Multidisciplinaire richtlijn Stoornissen in het gebruik van cannabis, cocaïne, amfetamine, ecstasy, GHB en benzodiazepines. Utrecht: Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGz; 2018.
  4. 4.
    Van der Pol P, Liebregts N, De Graaf R, Korf DJ, Van den Brink W, Van Laar M. Facilitators and barriers in treatment seeking for cannabis dependence. Vol. 133, Drug and Alcohol Dependence. 2013. p. 776–80.
  5. 5.
    Tuithof M. Drinking Distilled: onset, course and treatment of alcohol use disorders in the general population. Amsterdam: Univeristeit van Amsterdam; 2015.
  6. 6.
    Vektis. Wachttijden ggz dashboard. [Internet]. Nederlandse Zorgautoriteit; 2026. Available from: https://www.vektis.nl/zorgprisma/geestelijke-gezondheidszorg/wachttijden-ggz-dashboard#field_89008ab359e4a46cf33b2f4c2c662615

Hoe te verwijzen

    Nationale Drug Monitor, editie 2026. . . Geraadpleegd op: . Trimbos-instituut, Utrecht & WODC, Den Haag.