HomeEcstasy (MDMA)6.6.2 Ziekenhuizen

6.6.2 Ziekenhuizen

Bij hoeveel opnames en observaties in ziekenhuizen speelt het gebruik van ecstasy een rol?

In het kort: In 2023 waren er in Nederlandse ziekenhuizen 322 klinische opnamen of observaties waarbij problematiek door gebruik van psychostimulantia de hoofddiagnose was. In 2023 werd het gebruik van psychostimulantia 751 keer als nevendiagnose geregistreerd. Behalve om ecstasy gaat het bij de psychostimulantia ook om andere stimulerende middelen zoals amfetamine, cafeïne, efedrine, khat, 3-mmc en 4-mmc. Het aantal opnamen en observaties vanwege gebruik van psychostimulantia als hoofddiagnose is sinds 2015 licht gedaald, maar als nevendiagnose gestegen. De gemiddelde leeftijd van patiënten met psychostimulantiaproblematiek is tussen 2015 en 2023 gestegen.

In 2023 waren er ruim 322 klinische opnamen en observaties met het gebruik van psychostimulantia als belangrijkste reden

In 2023 waren er in Nederlandse ziekenhuizen 322 klinische opnamen of observaties waarbij problematiek door gebruik van psychostimulantia de hoofddiagnose was. De hoofddiagnose is de diagnose die achteraf (bij ontslag) wordt gezien als de belangrijkste reden voor opname of observatie in het ziekenhuis. In de meeste gevallen (69%) ging het om een klinische opname. Psychostimulantia speelden vaker een rol als nevendiagnose. In 2023 werd het gebruik van psychostimulantia 751 keer als nevendiagnose geregistreerd. Dat betekent dat gebruik van psychostimulantia van invloed is geweest op de behandeling of de uitkomst van de behandeling, maar niet de belangrijkste reden was voor opname of observatie. Behalve om ecstasy gaat het bij de psychostimulantia ook om andere stimulerende middelen zoals amfetamine, cafeïne, efedrine, khat, 3-mmc en 4-mmc. Ook ecstasy valt onder de psychostimulantia. Echter, een klein deel van de opnamen en observaties door ecstasygebruik wordt geregistreerd onder psychedelica. Zie voor een toelichting het volgende punt hieronder.

Meeste opnamen en observaties vanwege vergiftiging door psychostimulantia

Artsen registreren bij een opname (klinisch en observaties) de aard van de diagnose met behulp van een classificatiesysteem (ICD-10). Er kwamen in 2023 twee verschillende psychostimulantia gerelateerde diagnosen voor. In 2023 werd de diagnose ‘vergiftiging door psychostimulantia (exclusief cocaïne)’ het vaakst als hoofddiagnose geregistreerd (221 keer). ‘Stoornissen gerelateerd aan het gebruik van overige stimulerende middelen (exclusief cocaïne)’ zoals verslaving, psychose en angst, werd 101 keer als hoofddiagnose geregistreerd. Stoornissen door het gebruik van ecstasy zijn hierin niet meegeteld. Deze worden geregistreerd onder de code voor stoornissen gerelateerd aan het gebruik van hallucinogenen (zie psychedelica).

Aantal opnamen en observaties vanwege gebruik van psychostimulantia als hoofddiagnose licht gedaald, maar als nevendiagnose gestegen

Het aantal opnamen en observaties met psychostimulantiaproblematiek als hoofddiagnose is in 2023 iets lager vergeleken met 2015. Het aantal nevendiagnoses is toegenomen tussen 2015 en 2023. Deze stijging deed zich met name voor tussen 2018 en 2022.

In 2023 werden 978 personen minstens één keer opgenomen met psychostimulantiaproblematiek als hoofd- of nevendiagnose

Dezelfde persoon kan meer dan één keer per jaar worden opgenomen (klinisch of observatie). Bovendien kan er per opname meer dan één nevendiagnose worden gesteld. Gecorrigeerd voor dubbeltellingen ging het in 2023 om 978 personen. Zij werden in dat jaar minstens één keer opgenomen met een probleem gerelateerd aan psychostimulantia als hoofd­- of nevendiagnose.

Patiënten met psychostimulantiaproblematiek zijn iets vaker man, maar aandeel vrouwen stijgt licht

Van de mensen die in 2023 tenminste één keer waren opgenomen (klinisch of observatie) vanwege psychostimulantiaproblematiek (hoofd én nevendiagnose, n=2.711) was 59,3% man. Dit percentage is ongeveer gelijk aan 2022 (60,0%) en 2018 (60,1%) maar lager dan in de andere jaren toen het rond de 64% schommelde. Het aandeel vrouwen steeg van 36,4% in 2015 naar 40,7% in 2023.

Aandeel patiënten met psychostimulantiaproblematiek in de leeftijd 15 t/m 24 jaar relatief groot

De leeftijdsgroepen 15-19 jaar (14,5%) en 20-24 jaar (14,2%) hadden het grootste aandeel in de patiënten met psychostimulantiaproblematiek. In de jongste leeftijdsgroep (<15 jaar) en de oudere leeftijdsgroepen (55-plus) lag het aandeel duidelijk lager. Vergeleken met 2015 is het aandeel onder 20-34-jarigen gedaald (van 51,3% in 2015 naar 34,9% in 2023). In de leeftijdscategorieën <15 jaar en 55-59 jaar is het percentage met psychostimulantiaproblematiek ongeveer gelijk gebleven. In alle andere leeftijdscategorieën is het percentage in 2023 iets hoger dan in 2015.

Gemiddelde leeftijd van patiënten met psychostimulantiaproblematiek gestegen

In 2023 was de gemiddelde leeftijd van patiënten met psychostimulantiaproblematiek 34,0 jaar. Dit is hoger dan in 2015 toen de gemiddelde leeftijd 30,7 jaar was. De stijging lijkt met name plaats te hebben gevonden tussen 2015 en 2021.

De gegevens zijn verkregen via Dutch Hospital Data (DHD). Zij zijn verwerker van de Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ). In de LBZ worden alle diagnosen vastgelegd van alle patiënten die een Nederlands ziekenhuis bezochten of een digitaal contactmoment hadden. De diagnosen zijn gecodeerd op basis van de ICD-10.

Onder hoofddiagnose wordt in de LBZ verstaan de diagnose die achteraf (dus bij ontslag) wordt beschouwd als de belangrijkste reden van de opname in het ziekenhuis, zie voor meer informatie Codeadviezen expertgroep ICD-10. Met deze definitie wordt afgeweken van de richtlijnen ICD-10, waarin als hoofddiagnose wordt gehanteerd ‘de diagnose die aan het eind van het zorgmoment wordt gesteld voor de aandoening die hoofdzakelijk verantwoordelijk is voor de behoefte van de patiënt aan behandeling of onderzoek’. DHD geeft in de codeadviezen aan dat voor de langere termijn in overleg met betrokken partijen worden nagegaan of en op welke wijze wordt aangesloten op de internationaal geldende definitie (conform richtlijnen ICD-10).

Nevendiagnosen worden in de codeadviezen van DHD beschreven als diagnosen die gedurende de huidige (dag)opname naast elkaar voorkomen of zich ontwikkelen en van invloed zijn op de behandeling of de uitkomst van de behandeling van de patiënt. Het coderen van de nevendiagnosen betreft alleen de aandoeningen die de huidige (dag)opname beïnvloeden op één van de volgende manieren:

  • er is onderzoek of diagnostiek uitgevoerd
  • er is een behandeling uitgevoerd
  • er is een verlenging van de duur van het verblijf
  • er is extra verpleegkundige zorg en/of andere monitoring nodig

De gegevens op deze pagina zijn geanalyseerd voor personen die staan ingeschreven in de BasisRegistratie Personen (BRP). Voor de periode 2015-2018 zijn de analyses op verzoek van het Trimbos-instituut door het CBS uitgevoerd ​[1]​. Vanaf 2019 heeft het Trimbos-instituut de analyses uitgevoerd, volgens dezelfde methode als het CBS.

Aanvullende informatie

Bronnen

  1. 1.
    CBS. Ziekenhuisopnamen voor middelengebruik, 2015-2018: 1-9-2020 [Internet]. 2020. Available from: https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2020/36/ziekenhuisopnamen-voor-middelengebruik-2015-2018

Hoe te verwijzen

    Nationale Drug Monitor, editie 2026. . . Geraadpleegd op: . Trimbos-instituut, Utrecht & WODC, Den Haag.