HomeOpioïden5.6 Hulpvraag en incidenten

5.6 Hulpvraag en incidenten

Gegevensbronnen

Chronische opiatenproblematiek wordt onder andere gezien en behandeld in de verslavingszorg en in de algemene ziekenhuizen. De Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ) bevat een schatting van het aantal klinische opnames met middelengebruik als hoofd- of nevendiagnose. Zie bijlage B5 voor de meest recente gegevens. Het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS) rapporteerde tot en met 2015 over de hulpvraag in de verslavingszorg. De acute hulpvraag wordt geregistreerd in de Monitor Drugsincidenten (MDI). Deze monitor beschrijft de aard en omvang van acute drugsgerelateerde gezondheidsincidenten bij patiënten die worden behandeld op de spoedeisende hulp (SEH) van een ziekenhuis, door de ambulance, door politieartsen, of op de EHBO van een grootschalig evenement. Daarnaast registreert het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) informatieverzoeken van artsen en andere medische professionals over vermoede blootstellingen aan middelen.

De meest recente cijfers van het LADIS zijn afkomstig uit het registratiejaar 2015 en de meest recente cijfers over opnames in de algemene ziekenhuizen zijn afkomstig uit het registratiejaar 2018. Van belang is dat de situatie in 2020 door de coronacrisis mogelijk is veranderd. Zo lag het totaal aantal geregistreerde acute gezondheidsincidenten in de MDI in 2020 lager dan in voorgaande jaren, wat grotendeels verklaard kan worden door het uitblijven van feesten en festivals en het wegblijven van toeristen. Bovendien kan een deel van de gebruikers, door de stress en de psychologische last van de coronacrisis, meer zijn gaan gebruiken (zie § 5.1), met mogelijke gevolgen voor de hulpvraag op lange termijn. De impact van de coronamaatregelen is nog moeilijk in te schatten.

5.6.1 Verslavingszorg

De verslavingszorg is het onderdeel van de gezondheidszorg dat hulp biedt aan mensen die verslaafd zijn geraakt aan drugs, alcohol, medicijnen, gokken, of andere gedragsverslavingen. Verslavingszorginstellingen leverden tot en met 2015 gepseudonimiseerde gegevens over de hulpverlening aan via het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS) ​[1]​. De meest recente gegevens gaan daardoor over 2015.

  • Er is een gestage daling waarneembaar van het aantal primaire opiaatcliënten. Hun aantal daalde in een periode van tien jaar met 32% van 13.468 primaire opiaatcliënten naar 9.093 primaire opiaatcliënten (zie onderstaand figuur).
  • Het aandeel van opiaten in alle verzoeken om hulp vanwege drugs daalde van 44% in 2006 naar 29% in 2015. Dit komt mede door de groei in de afgelopen jaren van het aantal cliënten met een ander drugsprobleem, zoals cannabis.
  • De meeste opiaatcliënten waren al eerder in behandeling bij de verslavingszorg. Slechts 3% van de opiaatcliënten die stonden ingeschreven in 2015 waren niet eerder ingeschreven. In 2006 lag het percentage nieuwkomers op 5%.
  • In 2015 rookte een meerderheid van de primaire opiaatcliënten de opiaten (72%). In mindere mate werden de opiaten geslikt of gedronken (16%), gespoten (8%), of gesnoven (3%). In 2006 ging het om 77% rokers, 9% slikkers of drinkers, 11% spuiters en 4% snuivers.
  • Van de 9.093 primaire opiaatcliënten in 2015 stond bij 5.954 cliënten (65%) zowel een primaire als een secundaire problematiek geregistreerd. Onder deze cliënten waren er 1.005 cliënten (17%) die een primair probleem hadden met heroïne en een secundair probleem met methadon. De overige cliënten in deze groep hadden naast een primair probleem met opiaten vooral een secundair probleem met cocaïne of crack (47%), alcohol (13%), of cannabis (8%). Van de primaire opiaatcliënten rapporteerde 35% geen problemen met het gebruik van een ander middel.
  • Opiaten worden minder vaak als secundair probleem genoemd (zie onderstaand figuur). Voor deze groep was in 2015 het primaire probleem voornamelijk cocaïne of crack (62%), daarnaast alcohol (26%), medicijnen (4%), of cannabis (3%).
  • In sommige gevallen is het arbitrair of opiaten als primaire of als secundaire problematiek worden geregistreerd. Dit wordt niet systematisch voor elke opiaatcliënt bijgehouden. Daarbij lijkt er een geringe verschuiving te zijn opgetreden van de registratie als primaire problematiek naar de registratie als secundaire problematiek. Echter, bij elkaar opgeteld daalt het totaal aantal primaire en secundaire opiaatcliënten met 26% van 15.078 opiaatcliënten in 2006 naar 11.146 opiaatcliënten in 2015.

Figuur 5.6.1         Aantal cliënten bij de verslavingszorg met primaire of secundaire opiaatproblematiek, vanaf 2006

Leeftijd, geslacht en opleidingsniveau

  • In 2015 was 81% van de primaire opiaatcliënten man.
  • De gemiddelde leeftijd van de opiaatcliënten steeg van 42 jaar in 2006 naar 48 jaar in 2015. In 2015 was 68% van de opiaatcliënten ouder dan 44 jaar. In 2006 was dit nog maar 39% (zie onderstaand figuur).
  • Het aandeel van de jonge opiaatcliënten (20-34 jaar) daalde van 17% in 2006 naar 9% in 2015 (zie onderstaand figuur). Nog maar 4% van de opiaatcliënten was in 2015 jonger dan 30 jaar.
  • In 2015 had van de primaire opiaatcliënten 55% geen opleiding afgerond of een lagere opleiding afgerond, had 34% een middelbare opleiding afgerond en had 11% een hogere opleiding afgerond. Het percentage hoger opgeleiden lag hoger bij de alcoholcliënten (27%) en de ecstasycliënten (20%). (Voor de verklaring van lagere, middelbare en hogere opleiding, zie in bijlage D onder: Cliënt LADIS.)

Figuur 5.6.2         Leeftijdsverdeling van de primaire opiaatcliënten bij de verslavingszorg, in 2006 en 2015

Aanvullende informatie

Bronnen

  1. 1.
    Wisselink DJ, Kuijpers WGT, Mol A. Key figures addiction care 2015: LADIS: National Alcohol and Drugs Information System. Houten, the Netherlands: Stichting Informatie Voorziening Zorg; 2016.

Hoe te verwijzen

    Nationale Drug Monitor, editie 2022. . . Geraadpleegd op: . Trimbos-instituut, Utrecht & WODC, Den Haag.