HomeCocaïne4.6 Hulpvraag en incidenten

4.6 Hulpvraag en incidenten

Gegevensbronnen

Chronische cocaïneproblematiek wordt onder andere gezien en behandeld in de verslavingszorg en in de algemene ziekenhuizen. De Landelijke Basisregistratie Ziekenhuiszorg (LBZ) bevat een schatting van het aantal klinische opnames met middelengebruik als hoofd- of nevendiagnose. Zie bijlage B5 voor de meest recente gegevens. Het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS) rapporteerde tot en met 2015 over de hulpvraag in de verslavingszorg. De acute hulpvraag wordt geregistreerd in de Monitor Drugsincidenten (MDI). Deze monitor beschrijft de aard en omvang van acute drugsgerelateerde gezondheidsincidenten bij patiënten die worden behandeld op de spoedeisende hulp (SEH) van een ziekenhuis, door de ambulance, door politieartsen, of op de EHBO van een grootschalig evenement. Daarnaast registreert het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) informatieverzoeken van artsen en andere medisch professionals over vermoede blootstellingen aan middelen.

De meest recente cijfers van het LADIS zijn afkomstig uit registratiejaar 2015 en de meest recente cijfers over opnames in algemene ziekenhuizen uit registratiejaar 2018. Van belang is dat de situatie in 2020 door de coronacrisis mogelijk is veranderd. Zo lag het totaal aantal geregistreerde acute gezondheidsincidenten in de MDI in 2020 lager dan in voorgaande jaren, wat grotendeels verklaard kan worden door het uitblijven van feesten en festivals en het wegblijven van toeristen. Bovendien is een deel van de gebruikers tijdens de coronacrisis meer cocaïne gaan gebruiken ​[1]​, met mogelijke gevolgen voor de hulpvraag op lange termijn. De impact van de coronamaatregelen op de hulpvraag is nog moeilijk in te schatten.

4.6.1 Verslavingszorg

De verslavingszorg is het onderdeel van de gezondheidszorg dat hulp biedt aan mensen die verslaafd zijn geraakt aan drugs, alcohol, medicijnen, gokken, of andere gedragsverslavingen. De pas verschenen Multidisciplinaire richtlijn Stoornissen in het gebruik van niet-opioïde drugs adviseert om bij een stoornis in het gebruik van cocaïne als eerste keus contingentie management aan te bieden. Mocht deze behandelingsvorm niet beschikbaar zijn, dan wordt aanbevolen om in plaats daarvan cognitieve gedragstherapie aan te bieden ​[2]​. Bij cocaïneverslaving is ‘contingency management’, waarbij beloningen worden gegeven (zoals tegoedbonnen) voor het niet meer gebruiken van cocaïne, tot nu toe namelijk het meest effectief gebleken ​[3]​. Bovendien is er voldoende bewijs voor de effectiviteit van een breed opgezet interventiepakket volgens de principes van de Community Reinforcement Approach (CRA), waarvan ‘contingency management’ vaak onderdeel is ​[4]​. Het is niet bekend in hoeverre deze interventies in Nederland structureel worden toegepast voor de behandeling van cocaïneverslaving. Momenteel wordt onderzocht of het medicijn dexamfetamine een gunstig effect kan hebben bij gebruikers van cocaïne die behalve cocaïne ook opiaten gebruiken ​[5]​. Er zijn indicaties gevonden dat dexamfetamine in deze groep niet alleen het gebruik van cocaïne kan terugdringen, maar ook een gunstig effect kan hebben op de lichamelijke en psychische gezondheid en het sociaal functioneren.

LADIS

Verslavingszorginstellingen leverden tot en met 2015 gepseudonimiseerde gegevens over de hulpverlening aan via het Landelijk Alcohol en Drugs Informatie Systeem (LADIS) ​[6]​. De meest recente gegevens gaan daardoor over 2015. Nieuwe gegevens zullen naar verwachting beschikbaar komen in 2022 of 2023.

  • Het aantal cliënten met cocaïne als primair probleem is sinds 2008, met wat schommelingen, gedaald (zie onderstaande figuur). Tussen 2014 en 2015 vond er nog een daling plaats met 10%.
  • Per 100.000 inwoners van 15 jaar en ouder daalde het aantal primaire cocaïnecliënten van 65 in 2006 naar 52 in 2015.
  • Het aandeel van de primaire cocaïnecliënten in alle cliënten met een drugsprobleem lag in 2006 op 28% en lag in 2015 op 23%.
  • Voor bijna de helft van de primaire cocaïnecliënten (45%) was in 2015 roken (crack) de belangrijkste wijze van gebruik en voor iets meer dan de helft (54%) snuiven. Slechts 1% injecteerde de cocaïne. Ook in 2006 lag het percentage injecteerders op 1%, maar in dat jaar lag het percentage rokers hoger (52%) en lag het percentage snuivers lager (47%). Op lokaal niveau is ook in Den Haag, onder de cocaïnecliënten van Brijder Verslavingszorg, een daling geconstateerd in het percentage rokers. In de afgelopen vijf jaar daalde onder de cocaïnecliënten in Den Haag het percentage rokers van 68% naar 53% in 2017 ​[7]​.
  • In 2017 werd in zes Europese steden onderzocht welke drugs aanwezig waren in naalden die waren gebruikt om drugs mee te injecteren ​[8]​. Amsterdam was één van deze zes steden. Het onderzoek vond plaats binnen het kader van het ESCAPE-project. ‘ESCAPE’ staat daarbij voor ‘European Syringe Collection and Analysis Project Enterprise’. In Amsterdam werd in 43% van de gebruikte drugsspuiten cocaïne aangetroffen. Daarbij gaat het echter ook om drugsspuiten die werden gebruikt om heroïne te injecteren in combinatie met cocaïne.
  • In 2015 was 16% van de primaire cocaïnecliënten een nieuwkomer. Deze nieuwkomers werden ingeschreven in 2015 en stonden niet eerder ingeschreven bij de verslavingszorg voor een drugsverslaving, een alcoholverslaving of een andere verslaving. In 2006 lag het percentage nieuwkomers op 21%.
  • Van de 7.295 primaire cocaïnecliënten in 2015 stond bij 4.557 cliënten (62%) zowel een primaire als een secundaire problematiek geregistreerd. Bij deze cliënten ging het vooral om alcohol (33%), opiaten (28%) en cannabis (19%). In 4% van de gevallen ging het om een primaire verslaving aan crack en een secundaire verslaving aan snuifcocaïne en ging het omgekeerd in 1% van de gevallen om een primaire verslaving aan snuifcocaïne en een secundaire verslaving aan crack.
  • Cocaïne werd ook vaak als secundair probleem genoemd (onderstaande figuur). Ook het aantal cliënten met cocaïne als secundair probleem is de afgelopen jaren gedaald. Voor deze groep was in 2015 het primaire probleem vooral opiaten (46%), gevolgd door alcohol (36%) en cannabis (11%).

Figuur 4.6.1          Aantal cliënten bij de verslavingszorg met primaire of secundaire cocaïneproblematiek, vanaf 2006

LADIS: Leeftijd, geslacht en opleidingsniveau

In 2015 waren 8 van de 10 primaire cocaïnecliënten man (82%).

  • De gemiddelde leeftijd in 2015 was 39 jaar, vergeleken met 34 jaar in 2006. Daarmee zijn de primaire cocaïnecliënten jonger dan de opiaat-, en alcoholcliënten maar ouder dan de cannabis-, ecstasy-, amfetamine- en GHB-cliënten.
  • Onderstaande figuur laat zien dat 60% van de primaire cocaïnecliënten in 2015 tussen de 25 en 44 jaar was. Het aandeel jonge cocaïnecliënten van 15-34 jaar is in de afgelopen tien jaren gedaald van 54% in 2006 naar 38% in 2015. Het aandeel van de cocaïnecliënten van 40 jaar en ouder is in deze periode gestegen van 27% in 2006 naar 46% in 2015.
  • Deze veroudering komt grotendeels op conto van de crackverslaafden, van wie een deel ook problemen met opiaten heeft (zie § 5.6).
  • In 2015 had van de primaire cocaïnecliënten 48% geen opleiding afgerond of een lagere opleiding afgerond, had 39% een middelbare opleiding afgerond en had 13% een hogere opleiding afgerond. (Voor de verklaring van lagere, middelbare en hogere opleiding, zie in bijlage B6)
  • Eerder (§ 4.2.2) werd er op gewezen dat in de algemene bevolking hoger opgeleiden meer ervaring hebben met cocaïne dan lager opgeleiden. Echter, onder de cocaïnecliënten in de verslavingszorg was slechts 13% hoger opgeleid en was 48% lager opgeleid.

Figuur 4.6.2           Leeftijdsverdeling van de primaire cocaïnecliënten bij de verslavingszorg, in 2006 en 2015

Aanvullende informatie

Bronnen

  1. 1.
    Van Beek RJJ, Van Miltenburg CJA, Blankers M, Van Laar MW. Uitgaansgedrag en middelengebruik tijdens de coronapandemie van maart tot september 2020. Utrecht: Trimbos-instituut; 2021.
  2. 2.
    Hendriks V, Blanken P, Croes E, Schippers G, Schellekens A, Stollenga M, et al. Multidisciplinaire richtlijn Stoornissen in het gebruik van cannabis, cocaïne, amfetamine, ecstasy, GHB en benzodiazepines. Utrecht: Netwerk Kwaliteitsontwikkeling GGz; 2018.
  3. 3.
    Schierenberg A, Van Amsterdam J, Van Den Brink W, Goudriaan AE. Efficacy of Contingency Management for Cocaine Dependence Treatment: A Review of the Evidence. Vol. 5, Current Drug Abuse Reviews. 2012. p. 320–331.
  4. 4.
    Roozen HG, De Waart R, Van Der Kroft P. Community reinforcement and family training: an effective option to engage treatment-resistant substance-abusing individuals in treatment. Vol. 105, Addiction. 2010. p. 1729–1738.
  5. 5.
    Blanken P, Nuijten M, Van den Brink W, Hendriks VM. Clinical effects beyond cocaine use of sustained-release dexamphetamine for the treatment of cocaine dependent patients with comorbid opioid dependence: secondary analysis of a double-blind, placebo-controlled randomized trial. Vol. 115, Addiction. 2020. p. 917–923.
  6. 6.
    Wisselink DJ, Kuijpers WGT, Mol A. Key figures addiction care 2015: LADIS: National Alcohol and Drugs Information System. Houten, the Netherlands: Stichting Informatie Voorziening Zorg; 2016.
  7. 7.
    Rigter R, Blanken P. Kerncijfers Brijder 2017 Den Haag. Den Haag: Parnassia Addiction Research Centre (PARC), Brijder, Parnassia Groep; 2018.
  8. 8.
    Monitoring Centre for Drugs E, Addiction D. European Drug Report 2020: Trends and Developments. Luxembourg: Publications Office of the European Union; 2020.

Hoe te verwijzen

    Nationale Drug Monitor, editie 2022. . . Geraadpleegd op: . Trimbos-instituut, Utrecht & WODC, Den Haag.