HomeCocaïne4.4 Problematisch gebruik

4.4 Problematisch gebruik

Snel naar:

Gegevens over de omvang van het problematisch gebruik van cocaïne in de Nederlandse bevolking zijn niet beschikbaar. Dat komt onder andere omdat het aantal chronisch harddrugsgebruikers of frequent gebruikers van cocaïne in algemene bevolkingsonderzoeken, zoals de LSM-A of NEMESIS, te klein is om betrouwbare schattingen te kunnen maken. Een aantal Nederlandse studies onder specifieke doelgroepen (zoals de Antenne-monitor onder wisselende populaties van jongeren en jongvolwassenen en Het Grote Uitgaansonderzoek (HGU) onder uitgaande jongvolwassenen) geeft echter wel informatie over indicatoren voor problematisch gebruik, zoals cijfers over de hulpvraag bij de verslavingszorg, de mate waarin mensen zelf vinden dat zij te veel of te vaak gebruiken, of willen stoppen en minderen.

Definitie problematisch gebruik

De term problematisch middelengebruik kent geen uniforme en overeengekomen definitie (zie bijlage D en bijlage B12). Bij verschillende definities die in onderzoek en praktijk worden gehanteerd staat echter het volgende aspect centraal, namelijk een gebruikspatroon dat leidt tot lichamelijke, psychische of sociale problemen. Het EMCDDA hanteert een definitie waarin niet de problematiek centraal staat maar de frequentie van gebruik, die als risico wordt gezien voor problematisch gebruik.

Risico op afhankelijkheid (‘verslaving’)

  • Cocaïnegebruik kan vrij snel leiden tot geestelijke afhankelijkheid, maar cocaïne lijkt niet (of zelden) lichamelijk verslavend. Wel kunnen er bij het gebruik van crack acute tolerantie en heftige lichamelijke onttrekkingsverschijnselen optreden ​[1]​. Volgens internationaal onderzoek ontwikkelt 16% van de ooit-gebruikers cocaïneafhankelijkheid ​[2]​. Het risico op verslaving is groter bij het gebruik van crack en injecteerbare cocaïne, dan bij het gebruik van snuifcocaïne ​[3,4]​​.
  • Volgens het EMCDDA is iedereen die wekelijks of vaker cocaïne gebruikt een hoog-risicogebruiker. In de LSM-A Middelen en in HGU is gevraagd naar de frequentie van (snuif)cocaïnegebruik onder de laatste-jaar-gebruikers van cocaïne. In de LSM-A is niet specifiek gevraagd naar wekelijks gebruik, ter indicatie konden gebruikers wel aangeven of zij 2 tot 4 keer per maand, 2 tot 3 keer per week of 4 of meer keer per week gebruikten. De LSM-A liet zien dat van de laatste-jaar-gebruikers (1,6% in 2020) 7% 2 tot 4 keer per maand snuifcocaïne gebruikte, 0% gebruikte snuifcocaïne 2 tot 3 keer per week en 0,4% gebruikte 4 of meer keer per week snuifcocaïne. Uit HGU bleek dat 3,6% van de laatste-jaargebruikers van cocaïne (26,2% in 2020) eens per week gebruikte; 1,3% gebruikte een paar keer per week en 1,3% gebruikte (bijna) dagelijks ​​[5]​​. Door de verschillende categorieën zijn de resultaten van de LSM-A en HGU lastig te vergelijken. Wel is bekend dat (probleem) gebruikers van harddrugs in algemeen bevolkingsonderzoek ondervertegenwoordigd zijn. Dit zal ook, maar naar verwachting in mindere mate, voor uitgaanders gelden. (zie ook § 4.2.3). Hoewel het merendeel van de uitgaanders een ‘incidentele snuiver’ is, valt waarschijnlijk ook een klein deel van de uitgaanders onder de groep ‘ontspoorde cocaïnesnuiver’ (zie ook hieronder). Bovendien is de groep laatste-jaar-gebruikers in HGU ook aanzienlijk groter dan in de LSM-A.
  • Onder probleemgebruikers van harddrugs is vooral de basevorm van cocaïne (ook wel ‘crack’, ‘basecoke’, ‘freebase’ of ‘gekookte coke’ genoemd) populair (zie ook § 4.2.3). Op basis van een wat ouder veldonderzoek in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag uit 2013 wordt de prevalentie van crack-cocaïne verslaving in deze drie grote steden op ongeveer 0,5% geschat, hetgeen overeenkomt met ruim 6.600 personen ​[6]​.
  • Hoewel niet iedereen met een stoornis in het gebruik van cocaïne hiervoor hulp zoekt, geeft het aantal mensen dat hulp zoekt in de verslavingszorg wel een indicatie van de omvang van problematisch gebruik in Nederland, deze gegevens staan beschreven in § 4.6.

Stoppen en minderen met het gebruik van cocaïne

In vergelijking met veel andere middelen is het aandeel cocaïnegebruikers dat aangeeft minder te willen gebruiken, of hier helemaal mee wil stoppen relatief hoog, althans onder bepaalde groepen jongvolwassenen.

  • Ruim een kwart van de laatste-jaargebruikers (27,6%) uit Het Grote Uitgaansonderzoek 2020 geeft aan dat zij vinden dat zij te veel of te vaak gebruiken. In vergelijking met andere drugs is cocaïne (‘snuifcoke’) een van de middelen waarvan laatste-jaargebruikers het vaakst aangeven dat ze zouden willen stoppen (34,2%) en/of zouden willen minderen (39,8%). Het percentage dat zou willen minderen met een middel, is na tabak, het hoogst onder frequente cocaïnegebruikers (58,9%). Toch wil ook bijna een derde (31,2%) van de niet-frequente cocaïnegebruikers minderen ​[5]​.
  • Onder de laatste-jaar-gebruikers van cocaïne uit het Drug Use Persona’s onderzoek in 2019 zegt 42% het komende jaar te willen minderen of stoppen. 42% heeft al één of meerdere keren geprobeerd te stoppen. Van de ondervraagde middelen is cocaïne het enige middel waar de groep die denkt komend jaar te gaan stoppen of minderen groter is dan de groep die dat (nog) niet overweegt (22%). De belangrijkste redenen om te minderen of stoppen met cocaïne zijn ‘(ik heb) geen reden (meer) om cocaïne te gebruiken’ en ‘het past niet meer in mijn leven’. Barrières in het stoppen met gebruik van cocaïne zijn: ‘ik zie mensen om mij heen cocaïne gebruiken en krijg dan ook zin’ (61%), ‘ik vind het te duur (54%) en ‘dan mis ik de effecten’ (47%). Cocaïne is de enige drug waar het gebruik van mensen om je heen een grotere barrière voor stoppen opwerpt dan het missen van de effecten van het middel ​[7]​.

Groepen gebruikers met cocaïne-gerelateerde problematiek

Volgens wat oudere veldstudies en registratiegegevens zijn er grofweg drie soorten groepen probleemgebruikers van cocaïne.

  • De eerste groep bestaat uit de probleemgebruikers van opiaten (zie § 5.4), waarvan een groot deel óók cocaïne gebruikt, veelal de kant-en-klare rookbare vorm crack ​[1]​. Ter illustratie: van de groep crackcocaïnegebruikers die hulp zoekt bij verslavingsinstanties, rapporteert een groot deel heroïne als secundaire problematiek en vice versa (zie § 4.6).
  • De tweede groep bestaat uit probleemgebruikers in de harddrugsscene die frequent cocaïne, vooral crack, consumeren, zonder daarnaast heroïne te nemen. Kenmerkend voor deze groep zijn dwangmatige gebruikspatronen, welke resulteren uit negatieve gevoelens en het sterke verlangen om opnieuw te gebruiken wat opkomt als het plezierige effect na het roken van crack is uitgewerkt.
  • De derde groep bestaat uit gebruikers bij wie het aanvankelijk ‘recreatief’ gebruik van (snuif)cocaïne is overgegaan in problematisch gebruik, ‘de ontspoorde cocaïnesnuivers’ ​[8]​. In vergelijking met crackgebruikers zijn zij doorgaans begonnen met het gebruik van snuifcocaïne vanuit een meer maatschappelijk geïntegreerde positie. Deze groep vormt waarschijnlijk de grote meerderheid van degenen die in Europa in behandeling gaan voor poeder-cocaïne-gerelateerde problematiek ​[1]​
  • Zie Jaarbericht 2019 voor een verdere beschrijving van deze groepen.

Een verkennend onderzoek uit 2020, naar kenmerken van jongvolwassenen die snuifcocaïne gebruiken in Nederland, resulteerde in 6 gebruiksgroepen die zich onderscheiden op motieven voor gebruik, (sociale) setting van gebruik en (ervaren) controle over het gebruik van cocaïne (zie ook § 4.2.4)​ ​[9]​. Deze studie richtte zich expliciet niet op probleemgebruikers en moeilijk bereikbare groepen die hierboven beschreven zijn. Desondanks werd onder gebruikers van snuifcocaïne een groep geïdentificeerd die cocaïne gebruikt als coping bij psychische problematiek. Volgens het Drug Use Persona’s (DUP) onderzoek hebben coping gedreven gebruikers een vergroot risico op afhankelijkheid: negatieve emoties worden verdoofd, maar niet verholpen. Bij het groeien van problemen, stijgt mogelijk ook het gebruik, wat vervolgens leidt tot meer problemen ​[7]​.

Geïnterviewde professionals en gebruikers van cocaïne benoemden daarnaast ook factoren die problematisch gebruik kunnen beïnvloeden ​[7]​:

  • De meeste respondenten uit de DUP studie die cocaïne gebruikten zagen zichzelf niet als problematische gebruikers die hulp nodig hebben.
  • Professionals gaven echter aan dat problematische cocaïnegebruikers in grote mate hun eigen gebruik onderschatten en dat het heel lang duurt voordat de groep problematische cocaïnegebruikers hulp zoekt. Ook valt volgens hen problematisch gebruik minder snel op zolang het cocaïnegebruik niet tot financiële problemen leidt.
  • Volgens de geïnterviewde professionals kunnen aandacht voor vroegsignalering en een sterk alcohol- en medicijnbeleid (ADM-beleid) de kans op problematisch gebruik van cocaïne verkleinen.

Problemen met agressie

Het problematisch gebruik van cocaïne wordt in verband gebracht met agressie en geweld.

  • Problematisch gebruik van cocaïne kan ontstaan doordat zware cocaïnegebruikers meer moeite hebben hun agressie onder controle te houden ​[10,11]​. Cocaïne kan in dit verband ook een rol spelen bij het in stand houden van huiselijk geweld in de vorm van partnergeweld ​[12]​.
  • Voor de groep recreatieve cocaïnegebruikers is het verband echter niet zo duidelijk. Er is namelijk “geen consistent bewijs voor een oorzakelijk verband tussen recreatief cocaïnegebruik en agressiviteit”, zoals dat causale verband met agressie wel is gevonden voor alcohol ​[13,14]​. Agressie in een onderzochte groep recreatieve cocaïnegebruikers werd meer bepaald door de karaktereigenschappen van de gebruikers zoals verstoorde impulsregulatie en antisociale persoonlijkheidskenmerken, dan door het gebruik van cocaïne ​[14]​.

Combinatiegebruik van alcohol en cocaïne

Het combineren van alcohol en cocaïne brengt extra risico’s met zich mee (zie ook § 4.7.1). Deze combinatie vergoot de kans op gewelddadig gedrag en kan het risico op afhankelijkheid voor zowel cocaïne als alcohol vergoten ​[15,16]​. Daarnaast kan combinatiegebruik van cocaïne en alcohol leiden tot gezondheidsproblemen (zie ook § 4.4.3).

Meer informatie over gezondheidsrisico’s in relatie tot het chronisch gebruik van cocaïne is te vinden in § 4.7.

Aanvullende informatie

Bronnen

  1. 1.
    Monitoring Centre for Drugs E, Addiction D. Recent changes in Europe’s cocaine market: Results from an EMCDDA trendspotter study: December 2018: Rapid communication. Luxembourg: Publications Office of the European Union; 2018.
  2. 2.
    Farrell M, Martin NK, Stockings E, Bórquez A, Cepeda JA, Degenhardt L, et al. Responding to global stimulant use: challenges and opportunities. Vol. 394, Lancet. 2019. p. 1652–1667.
  3. 3.
    Van Laar M, Cruts G. Epidemiologie van middelengebruik en stoornissen in het gebruik. In: Handboek verslaving: Tweede, geheel herziene druk. Amsterdam: De Tijdstroom/Boom uitgevers; 2019. p. 25–39.
  4. 4.
    Hatsukami DK, Fischman MW. Crack cocaine and cocaine hydrochloride. Are the differences myth or reality? Vol. 276, JAMA. 1996. p. 1580–1588.
  5. 5.
    Monshouwer K, Van Miltenburg CJA, Van Beek RJJ, Den Hollander W, Schouten F, Blankers M, et al. Het Grote Uitgaansonderzoek 2020: Uitgaanspatronen, middelengebruik, gezondheid en intentie tot stoppen of minderen onder uitgaande jongeren en jongvolwassenen. Utrecht: Trimbos-instituut; 2021.
  6. 6.
    Oteo Pérez A, Cruyff MJLF, Benschop A, Korf DJ. Estimating the prevalence of crack dependence using capture-recapture with institutional and field data: A three-city study in the Netherlands. Vol. 48, Substance Use & Misuse. 2013. p. 173–180.
  7. 7.
    De Jonge MC. Persona’s in middelengebruik: Eindrapportage. Utrecht: Trimbos-insituut; 2021.
  8. 8.
    Nabben T, Luijk SJ, Benschop A, Korf DJ. Antenne 2016: Trends in alcohol, tabak en drugs bij jonge Amsterdammers. Amsterdam: Rozenberg Publishers; 2017.
  9. 9.
    Spronk D, van Gelder N, Nabben T, De Jonge M. Cocaïne: wie gebruikt het en waarom? Utrecht: Trimbos-instituut; 2020.
  10. 10.
    Ferwerda H, Van Hasselt N, Van Ham T, Voorham L. De juiste snaar? Professionals met een publieke taak en de omgang met overlast, agressie en geweld als gevolg van alcohol- en/of drugsgebruik. Den Haag: WODC; 2012.
  11. 11.
    Fonseca Pego AM, Oliveira SCW De Souza Eller Franco de, De Oliveira TF, Leyton V, Miziara I, Yonamine M. Cocaine toxicological findings in cases of violent death in Sao Paulo city – Brazil [Internet]. Vol. 60, Journal of Forensic and Legal Medicine. Elsevier; 2018. p. 3–8. Available from: https://linkinghub.elsevier.com/retrieve/pii/S1752928X1830338X
  12. 12.
    Gilchrist G, Dennis F, Radcliffe P, Henderson J, Howard LM, Gadd D. The interplay between substance use and intimate partner violence perpetration: A meta-ethnography. Vol. 65, International Journal of Drug Policy. 2019. p. 8–23.
  13. 13.
    Kuypers KPC, Verkes RJ, Van den Brink W, Van Amsterdam JGC, Ramaekers JG. Intoxicated aggression: Do alcohol and stimulants cause dose-related aggression? A review [Internet]. Vol. June 22, European Neuropsychopharmacology. Elsevier B.V.; 2018. Available from: https://doi.org/10.1016/j.euroneuro.2018.06.001
  14. 14.
    Van Amsterdam J, Niesink R. Geweld door alcohol en drugs (II) Alcohol, cocaïne, amfetamine en agressie. Vol. 13, Verslaving: tijdschrift over verslavingsproblematiek. 2017. p. 189–197.
  15. 15.
    Pennings EJM, Leccese AP, de Wolff FA. Effects of concurrent use of alcohol and cocaine. Vol. 97, Addiction (Abingdon, England). 2002. p. 773–783.
  16. 16.
    Harris DS, Everhart ET, Mendelson J, Jones RT. The pharmacology of cocaethylene in humans following cocaine and ethanol administration. Vol. 72, Drug and alcohol dependence. 2003. p. 169–182.

Hoe te verwijzen

    Nationale Drug Monitor, editie 2023. . . Geraadpleegd op: . Trimbos-instituut, Utrecht & WODC, Den Haag.