HomeOpioïden5.6.3 Incidenten

5.6.3 Incidenten

Hoe vaak komen opioïdengerelateerde gezondheidsincidenten voor?

In het kort: Er is geen landelijk dekkende registratie van drugsgerelateerde incidenten, daardoor weten we niet hoeveel drugsgerelateerde incidenten er in Nederland zijn. Van de geregistreerde drugsgerelateerde incidenten was in 2024 bij ongeveer één op de twintig heroïne/methadon gebruikt en bij ongeveer één op de vijftig werden (semi)synthetische opioïden (oxycodon, tramadol en fentanyl) gebruikt. Bij het merendeel van de opioïdenincidenten werden opioïden als enige drug gebruikt. In 2024 waren er relatief weinig informatieverzoeken bij het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) over heroïne/methadon. Het aantal informatieverzoeken bij het NVIC over synthetische opioïden steeg van 7 in 2023 naar 35 in 2024.

Het exacte aantal drugsgerelateerde incidenten is niet bekend

We weten niet precies hoeveel drugsgerelateerde incidenten er landelijk zijn. We kunnen wel iets zeggen over met welke drugs er relatief vaak incidenten zijn, hoe dit over de jaren heen eventueel veranderd is, wat de aard van de incidenten is en wat de kenmerken zijn van de mensen met een incident.

Bij ongeveer één op de twintig drugsgerelateerde gezondheidsincidenten speelt heroïne/methadon een rol

In 2024 werden er 277 heroïne/methadongerelateerde gezondheidsincidenten geregistreerd bij de Monitor Drugsincidenten (MDI​[1]​​. Dat is 4% van het totaal aantal geregistreerde drugsincidenten door de MDI. Uitleg over deze cijfers en meer informatie over de MDI vind je onder het kopje Meer informatie over de onderzoeken op deze pagina.

Bij ongeveer één op de vijftig drugsgerelateerde gezondheidsincidenten spelen (semi)synthetische opioïden een rol

Bij 41% van deze gevallen ging het om oxycodon, bij 35% om tramadol, bij 14% om fentanyl en bij 15% om overige synthetische opioïden; hierbij is sprake van overlap tussen de categorieën. Uitleg over deze cijfers en meer informatie over de MDI vind je onder het kopje Meer informatie over de onderzoeken op deze pagina en bij Incidenten – NPS.

Bij merendeel van de opioïdenincidenten zijn opioïden als enige drug gebruikt

Bij 64% van de geregistreerde heroïne/methadonincidenten was er sprake van mono-drugsgebruik. Dat betekent dat heroïne/methadon als enige drug is gebruikt. Waar bekend, werd bij 8% van deze incidenten ook het gebruik van alcohol gemeld.

Bij 36% van de geregistreerde heroïne/methadonincidenten was er sprake van polydrugsgebruik. Dat betekent dat bij eenzelfde gelegenheid naast heroïne/methadon, één of meer andere drugs werd gebruikt. De meest gemelde combinaties waren met cocaïne (48%), GHB (22%), basecoke (16%), cannabis (15%) en/of amfetamine (12%). Waar bekend, werd bij 19% van deze incidenten ook alcoholgebruik gemeld.

Bij 66% van de geregistreerde synthetische-opioïdenincidenten was er sprake van mono-drugsgebruik. Dat betekent dat synthetische opioïden als enige drug is gebruikt. Waar bekend, werd bij 31% van deze incidenten ook het gebruik van alcohol gemeld.

Bij 34% van de geregistreerde synthetische-opioïdenincidenten was er sprake van polydrugsgebruik. Dat betekent dat bij eenzelfde gelegenheid naast synthetische opioïden, één of meer andere drugs werd gebruikt. De meest gemelde combinaties waren met cannabis (43%), GHB (26%), overige NPS (23%), cocaïne (17%), heroïne (17%), en ecstasy (17%). Waar bekend, werd bij 23% van deze incidenten ook het gebruik van alcohol gemeld.

Polydrugsgebruik verhoogt de kans op ongewenste en onvoorspelbare effecten, omdat de afzonderlijke middelen elkaars effecten kunnen beïnvloeden. De middelen kunnen elkaars werking bijvoorbeeld versterken of juist tegenwerken. In sommige gevallen kan dit leiden tot levensgevaarlijke situaties of zelfs overlijden.

Bij een kwart van opioïdenincidenten gaat het om intoxicaties

Bij 27% van de geregistreerde heroïne/methadonincidenten was er sprake van intoxicaties. Daarnaast volgde ontwenning (25%) en liep 6% letsel op tijdens gebruik. Mogelijk gaat het hierbij om een onderrapportage; bij de behandeling van letsel is het namelijk vaak minder belangrijk of er drugs zijn gebruikt, waardoor hier niet in alle gevallen expliciet naar gevraagd wordt. In 42% van de gevallen was het type incident niet bekend. Waar in eerdere jaren ontwenning het grootste deel van de heroïne-gerelateerde incidenten vormde, valt in 2024 vooral de grotere groep ‘onbekende status’ op. Mogelijk gaat het hierbij deels om ontwenning (zoals voorgaande jaren), maar dit kan niet met zekerheid worden vastgesteld.

Bij 78% van de geregistreerde synthetische-opioïdenincidenten was er sprake van een intoxicatie. Dit hoge percentage hangt waarschijnlijk samen met het relatief grote aantal (vermoedelijke) doelbewuste overdoseringen in het kader van suïcidepogingen bij de ambulancediensten.  Daarna volgden incidenten door ontwenning (3%) en liepen sommige cliënten letsel op tijdens gebruik (2%). In 17% van de gevallen was het type incident niet bekend.

Hoogste percentage heroïne/methadonincidenten bij forensische diensten

Het hoogste percentage heroïne/methadonincidenten binnen de medische diensten werd gezien door forensisch artsen (29% van het totaal aantal drugsincidenten binnen deze dienst). Bij andere medische diensten zijn heroïne/methadonincidenten maar een klein deel van de gemelde incidenten (alle minder dan 5%). Dit aandeel is stabiel gebleven over de jaren. Bij 76% van de heroïne/methadonincidenten binnen de forensische diensten ging het om mono-drugsgebruik, en bij 24% om polydrugsgebruik.

Hoogste percentage synthetische-opioïdenincidenten bij ambulancediensten

Het grootste percentage synthetische-opioïdenincidenten binnen de medische diensten werd gezien door ambulancediensten (8% van het totaal aantal drugsincidenten binnen deze dienst). Bij andere medische diensten zijn synthetische opioïden maar een klein deel van de gemelde incidenten (minder dan 3%). Bij 80% van de synthetische-opioïdenincidenten binnen de ambulancediensten ging het om mono-drugsgebruik, en bij 20% om polydrugsgebruik.

Mensen die heroïne gebruiken zijn vaak man en ouder dan 40 jaar

Waar bekend, ging het bij het overgrote gedeelte van de incidenten met mono-drugsgebruik van heroïne/methadon om mannen. De mediane leeftijd varieerde tussen de registratiesystemen, met 43 jaar bij de forensische artsen tot 60 jaar bij MDI-ziekenhuizen. Heroïne/methadoncliënten die bij de MDI-ziekenhuizen werden gezien hadden, waar bekend, vaak ook alcohol gebruikt (16%).

Mensen die synthetische opioïden gebruiken verschillen sterk

Waar bekend, was ongeveer een derde man bij mono-drugsgebruik van synthetische opioïden bij de ambulance diensten en MDI-ziekenhuizen (36 en 32%, respectievelijk), terwijl bij de forensische artsen het overgrote deel man was (86%). De mediane leeftijd varieerde tussen de registratiesystemen, met 44 jaar bij de ambulancediensten, 36 jaar bij MDI-ziekenhuizen en 47 jaar bij forensische artsen. Alcoholgebruik kwam voor bij ongeveer een derde van de cliënten bij de ambulancediensten en MDI-ziekenhuizen (beide 32–33%) en minder frequent bij forensische artsen (14%).

Mate van intoxicatie verschilt per medische dienst 

Over de mate van intoxicatie bij incidenten met heroïne/methadon is momenteel weinig bekend ten opzichte van voorgaande jaren. In 2024 zijn er geen lichte intoxicaties gerapporteerd. Bij de ambulance en MDI-ziekenhuizen ging het, waar bekend, bij de meerderheid om ernstige intoxicaties (beide 68%). Echter zijn er minder heroïne/methadon intoxicaties bij ambulances en MDI-ziekenhuizen dan bij forensische artsen. Voor LIS-ziekenhuizen is geen informatie beschikbaar.

De mate van intoxicatie bij incidenten met synthetische-opioïden is bij ambulancediensten en MDI-ziekenhuizen overwegend ernstig. Waar bekend, ging het bij ambulancediensten en MDI-ziekenhuizen bij iets meer dan een derde (respectievelijk 39% en 41%) van de mono-synthetische-opioïdenincidenten om ernstige intoxicaties. Dit kan gerelateerd worden aan het hoge aantal vermoedelijke suïcidepogingen onder de cliënten van de ambulancediensten (46% van deze incidenten) en de MDI ziekenhuizen (50%). In 2023 was dit percentage zelfs nog hoger (beide 73%).

De mate van intoxicatie is een (grove) indeling van de ernst van de vergiftiging op basis van het klinische beeld van de cliënt. Deze indeling is gebaseerd op verschillende scores, zoals de EMV en AVPU, en klinische ervaring/expert opinion. De behandelend zorgmedewerker bepaald de mate van intoxicatie, of deze wordt op een later moment vastgesteld op basis van de medische rapportage van de cliënt. De score gaat over het moment waarop de cliënt het meest last had van klachten en/ of complicaties.

Klachten en complicaties die in 2024 veel voorkwamen na mono-drugsgebruik van heroïne/methadon bestonden vaak uit klachten passend bij ontwenning. Bij ernstige intoxicaties werd vooral een verhoogde hartslag gezien. Daarnaast trad bij twee patiënten een hartstilstand op. De symptomen die bij matige incidenten voorkwamen zoals desoriëntatie, agitatie, braken, diarree en zweten, lijken sterk op ontwenningsverschijnselen. In 2024 waren mensen met een ernstige heroïne-intoxicatie vaak verminderd of moeilijk aanspreekbaar (38%). In een kleiner maar relevant deel van de gevallen raakten mensen zelfs bewusteloos of helemaal niet aanspreekbaar (17%). Ook bij matige intoxicaties kwam verminderd aanspreekbaar regelmatig voor (17%).

Ernstige complicaties en klachten die in 2024 veel voorkwamen na mono-drugsgebruik van synthetische opioïden waren een verhoogde hartslag, een vertraagde en onregelmatige ademhaling en verlaagde lichaamstemperatuur. Bij een patiënt was een hartstilstand geregistreerd. Ook waren mensen regelmatig verminderd of moeilijk aanspreekbaar (12%). In een groter deel van de gevallen raakten mensen zelfs bewusteloos of waren helemaal niet aanspreekbaar (26%). Bij matige intoxicaties werd voornamelijk desoriëntatie geregistreerd. Ook bij matige intoxicaties kwam verminderd of matig aanspreekbaar regelmatig voor (27%).

Hoe vaak zoeken hulpverleners informatie op over opioïden bij het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum?

Relatief weinig informatieverzoeken bij het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum over heroïne/methadon

Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum rapporteert in principe alleen over de top 10 van drugs en illegale middelen met de meeste telefonische informatieverzoeken. In 2024 kwam heroïne/methadon niet in deze top 10 voor ​[2]​.

Toename in informatieverzoeken over synthetische opioïden

In 2024 waren er 35 telefonische informatieverzoeken over synthetische opioïden. Dit is ongeveer 2% van het totaal aantal informatieverzoeken over drugs en illegale middelen. Het aantal informatieverzoeken over synthetische opioïden is toegenomen vergeleken met 2023, toen waren er 7 informatieverzoeken. Ruim driekwart (27) van deze informatieverzoeken ging over O-desmethyltramadol (O-DSMT). Daarnaast gingen 3 informatieverzoeken over nitazenen, zie voor meer informatie de pagina over incidenten met NPS.

Registratie van drugsgerelateerde incidenten

De Monitor Drugsincidenten (MDI) houdt sinds 2009 jaarlijks gegevens bij over acute gezondheidsincidenten als gevolg van drugsgebruik in Nederland ​[1]​. De informatie wordt verzameld via verschillende medische diensten, waaronder SEH-afdelingen van ziekenhuizen, ambulancediensten, forensisch artsen en EHBO-posten op grootschalige evenementen. De MDI werkt met acht peilstationregio’s: Amsterdam, Rotterdam, Brabant Zuidoost, Gelderland-Midden, Gelderland-Zuid, Twente, Groningen en Limburg. Daarnaast melden enkele instanties buiten deze regio’s incidenteel ernstige incidenten of sterfgevallen.

Hoewel de MDI waardevolle inzichten biedt in de aard en ernst van acute drugsincidenten, is de monitor niet landelijk dekkend. Hierdoor is zij minder geschikt om een volledig beeld te geven van het totale aantal incidenten in Nederland. De gekozen regio’s zijn informatief om trends in drugsgebruik te signaleren. Het aantal deelnemende instellingen is in de loop der jaren gegroeid, al zijn enkelen (tijdelijk) wegens omstandigheden niet in staat geweest om gegevens aan te leveren wegens verandering in hun registratiesysteem of personele onderbezetting. Dit leidt tot fluctuaties in het absolute aantal gemelde incidenten. Om die reden rapporteert de MDI bij voorkeur in percentages in plaats van absolute aantallen.

Een belangrijk aandachtspunt bij de interpretatie van de cijfers is dat het bij het merendeel van de meldingen gaat om zelfrapportage of vermoedens van gebruik. Dit betekent dat de gebruikte drug vaak wordt aangegeven door de betrokkene zelf, door omstanders, of wordt afgeleid uit het klinische beeld of aangetroffen parafernalia. Drugsincidenten worden bijna nooit toxicologisch onderzocht. Dit betekent dat er geen laboratoriumtests zijn uitgevoerd om de aanwezigheid van specifieke stoffen te bevestigen. Hierdoor blijft het onzeker welke stof het incident heeft veroorzaakt.

Tot slot verschilt de volledigheid van de gegevens per casus, afhankelijk van hoe gedetailleerd de variabelen in de medische dossiers zijn vastgelegd. Ondanks deze beperkingen biedt de MDI een verdiepend beeld van de acute gezondheidsproblemen die kunnen optreden na het gebruik van verschillende soorten drugs.

Informatieverzoeken van hulpverleners bij het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum

Het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) registreert informatieverzoeken van artsen en hulpverleners over de mogelijke gezondheidseffecten en behandeling van acute vergiftigingen ​[2]​. Het NVIC is onderdeel van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMC Utrecht) en is 24 uur per dag telefonisch bereikbaar. De meeste drugsgerelateerde telefonische informatieverzoeken gaan over cliënten die in aanraking zijn gekomen met een middel: een blootstelling. Een blootstelling leidt niet altijd tot vergiftigingsverschijnselen, het gaat dus om een mogelijke/potentiële vergiftiging.

Hulpverleners kunnen ook via de website www.vergiftigingen.info toxicologische informatie van een stof of product opzoeken. Er kan a) een ernstberekening worden uitgevoerd voor een individuele patiënt, b) een stofmonografie worden ingezien of c) therapieteksten en behandelprotocollen worden geraadpleegd. Bij het uitvoeren van een ernstberekening vult de hulpverlener een aantal gegevens in op de site. Op basis van de ingevoerde gegevens wordt teruggekoppeld of er vermoedelijk sprake is van een lichte intoxicatie (tekst: behandeling meestal niet nodig), een matige intoxicatie (tekst: ziekenhuisobservatie, behandeling vaak nodig) of een ernstige intoxicatie (tekst: mogelijk levensbedreigend).

Het aantal telefonische informatieverzoeken en ernstberekeningen geven geen informatie over het daadwerkelijke aantal blootstellingen of vergiftigingen. Ook de mate waarin de hulpverleners kennis hebben (opgebouwd) over het middel zal van invloed zijn op het aantal informatieverzoeken. De website kan bovendien niet alleen worden gebruikt bij daadwerkelijke blootstellingen, maar ook voor oriëntatie of bijscholing. Daarnaast bestaat in Nederland geen meldingsplicht voor acute vergiftigingen.

Aanvullende informatie

Bronnen

  1. 1.
    S. van Winkel, N. Hutten, B. Salar, H. Noach, M. Valkenberg, M. van Laar, et al. Monitor Drugsincidenten Jaarraportage 2024 (TRI-41-031) [Internet]. Trimbos-Instituut; 2026 p. 1–98. Available from: https://www.trimbos.nl/wp-content/uploads/2026/05/TRI-41-031_Monitor-Drugsincidenten-Jaarrapportage-2024.pdf
  2. 2.
    C.C. Visser, J.J. Nugteren-van Lonkhuyzen, H.N. Mulder-Spijkerboer, A.G. Van Velzen, D.W. De Lange, A. J.H.P. van Riel. Acute vergiftigingen bij mens en dier: NVIC Jaaroverzicht 2024: NVIC Rapport 01/2025. Nationaal Vergiftigingen Informatiecentrum (NVIC), Divisie Vitale Functies, Universitair Medisch Centrum Utrecht; 2025.

Hoe te verwijzen

    Nationale Drug Monitor, editie 2026. . . Geraadpleegd op: . Trimbos-instituut, Utrecht & WODC, Den Haag.