HomeLachgas13.2.2 Gebruik onder groepen in de volwassen bevolking

13.2.2 Gebruik onder groepen in de volwassen bevolking

Snel naar:

Deze paragraaf beschrijft kerncijfers over het gebruik van lachgas in de bevolking van 18 jaar en ouder op basis van de Gezondheidsenquête, jaarlijks uitgevoerd door het CBS in samenwerking met het RIVM en het Trimbos-instituut. Aanvullende gegevens zijn afkomstig uit de tweejaarlijkse Aanvullende Module Middelen van de Leefstijlmonitor (LSM-A) 2020 (zie bijlage A1 en A2). Daar waar resultaten zijn opgenomen uit de LSM-A, wordt dit apart vermeld.

Het ooit- en laatste-jaar-gebruik van lachgas kunnen worden uitgesplitst naar geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, migratieachtergrond en stedelijkheid. Het aantal laatste-maand-gebruikers van lachgas in de steekproef is te klein om nader uit te splitsen naar deze demografische kenmerken.

Geslacht

Lachgasgebruik kwam in 2021 vaker voor onder mannen dan onder vrouwen. Dit geldt zowel voor het gebruik ooit in het leven als voor het gebruik in het afgelopen jaar (zie tabel hieronder). Onder mannen nam het laatste-jaar-gebruik van lachgas toe van 2018 naar 2019, daalde in 2020 en bleef in 2021 op hetzelfde niveau. Onder vrouwen bleef het laatste-jaar-gebruik tussen 2018 en 2020 stabiel, maar daalde in 2021 (zie ook figuur §13.2.1)

Leeftijd

Gebruik van lachgas komt het meest voor onder 18-19 jarigen en twintigers. Na het 29ste levensjaar neemt het gebruik van lachgas flink af.

  • Het percentage gebruikers in het afgelopen jaar was in 2021 het hoogst onder jongvolwassenen van 18-19 jaar (6,4%), 20-24 jaar (8,1%) en 25-29 jaar (5,7%).
  • In 2021 lag het laatste-jaar-gebruik van lachgas onder 18-19 jarigen (6,4%) en 20-24 jarigen (8,1%) lager dan in 2020 (respectievelijk 14,5% en 12,1%).
  • De gemiddelde leeftijd van de laatste-jaar-gebruikers bedroeg 26,3 jaar. In 2019 bedroeg de gemiddelde leeftijd 25,6 jaar en in 2020 24,7 jaar.

In de LSM-A 2020 werd aan lachgasgebruikers gevraagd op welke leeftijd zij dit middel voor het eerst namen. De helft van de volwassen Nederlanders die in het afgelopen jaar lachgas gebruikten, nam dit middel tussen hun 18de en 23ste levensjaar voor het eerst. Een kwart van de lachgasgebruikers was jonger toen ze voor het eerst gebruikten, en een kwart was ouder. De gemiddelde startleeftijd van alle gebruikers is 21,5 jaar.

Opleidingsniveau

Het laatste-jaar-gebruik van lachgas is hoger onder de hoogopgeleiden (2,3%) en middelbaar opgeleiden (1,7%) dan onder laagopgeleiden (0,5%). Het gebruik van lachgas daalde tussen 2019 en 2020 onder hoogopgeleiden en middelbaar opgeleiden en bleef in 2021 op hetzelfde niveau. Onder laagopgeleiden is het laatste-jaar-gebruik sinds 2018 stabiel.

Migratieachtergrond

Onder mensen met een niet-westerse migratieachtergrond is het gebruik van lachgas in het laatste jaar (3,3%) hoger dan onder mensen met een Nederlandse achtergrond (1,4%) en mensen met een westerse migratieachtergrond (1,5%). Onder mensen met een Nederlandse achtergrond daalde het laatste-jaar-gebruik van lachgas van 2,0% in 2020 naar 1,4% in 2021.

Stedelijkheid

Lachgasgebruik komt vaker voor in (zeer) sterk stedelijke gebieden dan in matig- en weinig/niet stedelijke gebieden. Dit geldt voor het gebruik ooit in het leven en in het laatste jaar. In matig stedelijke gebieden daalde het laatste-jaar-gebruik van 1,9% in 2020 naar 0,4% in 2021.

Aanvullende informatie

Hoe te verwijzen

    Nationale Drug Monitor, editie 2022. . . Geraadpleegd op: . Trimbos-instituut, Utrecht & WODC, Den Haag.